George de Haan, 71 jaar en nog steeds 'kicking & alive'George de Haan, voormalig lijsttrekker van de 65pluspartij (Ede), voelt zich nog steeds zeer geroepen om zo nu en dan zijn kritische mening en zijn creatieve ideeën voor een betere lokale Edese samen-leving te geven. Door niet in de Gemeenteraad te zitten kan hij dat frank en vrij in zijn Nieuwsbrieven uitdragen.

Lokale Edese media zijn slaafse volgers van een archaïsche en monistische bestuurscultuur. Onderzoeks-journalistiek en kritische interviews tref je in Ede dan ook zelden aan. Brave verslaglegging daarentegen des te meer.

Volgens Jan Terlouw zouden we met een ouderwets touwtje uit de brievenbus terug kunnen keren naar een betere samenleving, waarin we (zoals vroeger) meer vertrouwen in onze medemens stelden. Vanuit de Vereniging '65plus' denken we daar toch wel anders over, omdat we in deze moderne tijd assertiever in het leven moeten staan. Onze bovenstaande 'Gelukkig Nieuwjaar-Wens' is dus een nostalgische persiflage.

George de Haan:     

Niet in de Raad, maar nog wèl paraat!

=========================================================

Nieuwsbriefnr. 9: 8 november 2014

BDU, Super Bedankt!

Een zeldzaam mooie bijlage, zowel inhoudelijk als in opmaak.

In mijn Nieuwsbriefnr. 2. van 8 juli j.l. gaf ik aan om in het najaar van 2014 met behulp van ‘expert-interviews’ (met professionals en ervaringsdeskundigen in de Edese zorgmarkt) tot een kwalitatief
onderzoek te komen. Over alle verkregen
feiten, ervaringen en meningen zou ik dan (in de vorm van een ‘nul’-meting) een schriftelijk verslag uitbrengen.
Als ik zo’n onderzoek dan een jaar later ging herhalen zou ik een beeld krijgen (in positieve of in negatieve zin) van wat onze politieke bestuurders intussen op de veranderde Edese zorgmarkt zouden hebben bereikt.

Terwijl ik zeer recentelijk met mijn
expert-interviews was gestart werd ik
de afgelopen woensdag (5 november)
blij verrast met nevenstaande ZORGKRANT in mijn brievenbus.
In deze bijzondere bijlage van EdeStad trof ik in beginsel precies aan wat ik met mijn eigen onderzoek beoogde, maar dan stukken informatiever en voorzien van zeldzame ‘constructieve’ journalistiek: superklasse! Als de BDU nu hierop over een jaar met een soortgelijk vervolg komt om dan de werkelijke situatie op de Edese zorgmarkt in beeld te brengen, dan zal ik helemaal blij zijn. Dat nu de BDU met dit eerste Zorgkrant-nummer mikte op een maximum aan bereik van 750.000 exemplaren, en daarmee met nauwelijks specifieke Edese onderwerpen moest komen, begrijp ik (vanwege de commercie) best ... maar over een jaar verwacht ik dan wèl een meer gedetailleerd verslag* van de bereikte decentralisatie-resultaten op de zorgmarkt van alleen de gemeente Ede.

* Lees ook onderstaand expert-interview en mijn verwijzing (verderop) naar de successieve politieke standpunten over de zorgmarkt, als terug te vinden op de respectievelijke websites van de lokale Edese politieke partijen.

Publicatie interview eigen onderzoek

Expert-interview Edese huisarts     \      Antwoorden op vijf standaardvragen:

1. Wat is de status quo van de Edese Zorgmarkt?

Antw.: Mijn algemene indruk is dat de Edese zorgmarkt op dit moment redelijk draait. Zelf ervaar ik op dit
moment geen problemen, maar volgend jaar wordt dat zeker anders.

2. Wat te verwachten van de komende veranderingen op de Edese Zorgmarkt?

Antw.: Op papier ziet alles er goed uit, maar bij de implementatie van alle veranderingen zet ik wel de nodige vraagtekens. Ede beschikt weliswaar over een groot aantal sociale netwerken, met een hoge
participatiegraad... maar of dat in de praktijk voldoende is om straks tevreden achterover te kunnen leunen is de vraag. Bij bestaande gevallen (Wmo en thuiszorg) ga je in het kader van de gewenste bezuinigingen zeker het een en ander afpakken, wat niet elke hulpbehoevende zal waarderen en accepteren.

3. Hoe zijn deze veranderingen op de Edese Zorgmarkt te waarderen?

Antw.: Ik zie in de zorg veel verspilling, dus waar mensen straks worden gedwongen om zelfredzaam te zijn... vind ik een goede ontwikkeling. Zo hoeft thuiszorg niet langer afhankelijk te zijn van professionals.
Helaas zul je straks meemaken dat de ‘goede gaan lijden onder de kwaden’, dan krijgen mensen minder
zorg dan waar zij recht op hebben. Zeker als er geen ondersteuning verkregen kan worden bij buren, familie en/of kennissen.

4. Zijn er verbeter-suggesties voor de naaste toekomst?

Antw.: Heel belangrijk zal zijn, dat de verantwoordelijke wethouders en de managers die de leden van de sociale wijkteams bij het implementeren van de nieuwe regels op de zorgmarkt aansturen... dat deze zeer kritisch op de voet worden gevolgd en bij calamiteiten snel kunnen worden gecorrigeerd. Denk bijvoorbeeld aan de bescherming van patiënten-privacy.

5. Loopt de gemeente Ede in de pas met het in De Volkskrant (d.d. 13 september 2014) geschetste beeld, dat de meeste gemeenten in Nederland met de nieuwe taken op de zorgmarkt al wel op schema liggen? (Zie het bewuste VK-artikel hieronder.)

Met deze publicatie hielp De Volkskrant mij aan een concrete vijfde vraag voor mijn expert-interviews.



Antw.: Voor de gehele operatie van grootschalige decentralisatie op de zorgmarkt loopt de gemeente Ede
volgens mij wel in de pas, maar op het terrein van de Jeugdzorg voorzie ik het komende jaar 2015 grote problemen. Als huisarts heb je namelijk geen enkele invloed op de inkoop van zorg. Intussen zijn wij wel afhankelijk van wat de gemeente Ede (bijvoorbeeld) inkoopt bij psychische hulpverleners. Wil ik een jonge patiënt (onder de 23 jaar) straks doorverwijzen naar een bij mij bekende psycholoog waar ik graag mee samenwerk dan wordt dat niet vergoed wanneer deze zorgverlener niet door de gemeente Ede is gecontracteerd. Wil ik deze jonge patiënt toch van dienst zijn, dan zou er een persoonsgebondenbudget moeten worden geregeld, maar dat gaat ook niet zo gemakkelijk.
Verder zie ik binnen de thuiszorg ook een aantal praktische problemen als de indicatie tijdens een keukentafelgesprek niet deskundig en zorgvuldig verloopt. Bezuinigen op zich is goed, dus ook dat er een einde wordt gemaakt aan een budgettair ‘open einde’, maar sommige basale zorgtaken zullen toch blijvend moeten worden geleverd. Zeker als we ouderen langer zelfstandig willen laten wonen.

Toegift geïnterviewde: Grote zorgen maak ik mij over de wetttelijke bescherming van patiëntengegevens. Als huisarts kun je niet zo maar gegevens delen met derden, zoals een ambtenaar uit een sociaal wijkteam. Mijn ervaring is, dat ambtenaren zich niet altijd bewust zijn van wat het ‘medische beroepsgeheim’ inhoudt.

                          ----------------------------------------------------------------------------

Standpunten over de Zorgmarkt uit (onder meer) de
Verkiezingsprogramma’s 2014-2018 van resp. 8* Edese politieke partijen.

Opmerkelijk bij alle tekstpublicaties op de respectievelijk websites (bereikbaar via www.ede.nl) van de Edese lokale politieke partijen is, dat vrijwel alle partijen na de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart 2014 hun Verkiezingsprogramma’s sterk hebben aangepast. Kon je hierin vóór 19 maart vrijwel niets lezen over de komende veranderingen op de zorgmarkt, dit najaar echter bevatten de meeste Verkiezings-programma’s flinke uitweidingen over “zorgen over de nieuwe zorgmarkt”. Allemaal teksten met vrijwel uitsluitend sociaal klinkende en niets verplichtende proza, dat veel weg heeft van pure symboolpolitiek. De verantwoordelijke wethouders (met uitvoeringstaken binnen de lokale gemeentelijke zorgmarkt) zullen immers van al deze programma-epistels bitter weinig aantrekken. Zij gebruiken allemaal ambtelijke beleids- en stappenplannen, modelverordeningen en transitie-protocollen die in regioverband (met de samenwerkende gemeenten in de foodvallei) zijn aangeleverd door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, VNG.

Let wel: “Als het echt om ingrijpen in de uitvoering van de gemeentelijke zorgtaken gaat, heeft de Gemeenteraad het voor het zeggen...” (ref. Jan Telgen in de BDU-Zorgkrant.)
* De 9de partij (SGP) ontbreekt hier. In eerdere Verkiezingsprogramma’s van de SGP ontbrak t.b.v. het onderwerp ‘zorg’ ook een specifiek programmapunt.
Rara?!

=========================================================

Nieuwsbriefnr. 10: 16 december 2014

 Eindejaarsduiding

Edese Post, woensdag 10 december 2014


Bovenstaand interview (10 december 2014) verdient een nadere beschouwing en analyse.

Deze voormalige Edese Wethouder van Financiën heeft in de wandelgangen wel vaker van zijn
hart geen moordkuil gemaakt... maar hoe verklaar je dit opvallende interview en heeft hij gelijk?
De verklaring zit h’m ongetwijfeld in een aanhoudende boosheid van de man die het nog steeds
niet kan verkroppen niet in het Edese college van B&W te zijn teruggekeerd. Maar is dat het enige?
Voor een antwoord op het laatste komen wij verderop terug met de “Paradox van Ede”.
Het hebben van zijn gelijk slaat zeker op mEdemaken, maar geldt dat ook voor zijn uitspraken
Er is nul nieuwe politiek” en “Een project door ambtenaren getrokken...?

xxx XXX xxx

Het mislukte mEdemaken

In een eerdere Nieuwsbrief van mij (d.d. 8 juli 2014) maakte ik duidelijk dat “Het vaderlandse sprookje van  de ‘maakbare samenleving’ uit is... maar niet in Ede”. Ik baseerde mij hierbij op eerdere (modern) klinkende WRR-publikatie uit 2012.uitspraken van de huidige (over-ambitieuze) wethouders, zoals “... geloven in onze eigen kracht”, “... hebben we een open bestuursstijl...” en “krijgen veranderingen stap voor stap vorm”.
In 2012 publiceerde de WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) over “Burger betrokkenheid” het onderzoeksrapport “Vertrouwen in burgers” (287 pagina’s; Amsterdam University Press). Als het nieuwe college van B&W van deze publicatie kennis had genomen dan was mEdemaken (afgezien van het
kromme taalgebruik) niet bedacht.
Voor de belangstellende lezer volgt hierna de integrale Samenvatting van de inhoud uit de hier genoemde
WRR-publicatie.

=================================

“Betrokken burgers zijn belangrijk voor een levende democratie. Ze houden volksvertegenwoordigers
en overheidsinstanties scherp en spelen een belangrijke rol in de inkleuring van de maatschappij; ze verschaffen het draagvlak voor het uitvoeren van beleid, vullen het in
door hun alledaagse handelen, en zorgen voor
maatschappelijke vernieuwing door het inbrengen van ideeën, onderwerpen en aanpakken. Burgers moeten echter wel betrokken kunnen en willen zijn.

De afgelopen decennia hebben beleidsmakers zich vele inspanningen getroost om het betrokken-heidsaanbod aantrekkelijker te maken, maar de resultaten zijn teleurstellend. Voortdurend is het een verhaal van veel projecten, weinig leren en nvoldoende structurele inbedding; vooral de aansluiting op onze samenleving is zoek. En juist die samenleving verandert, snel en onvoorspelbaar. Ook de wijze waarop
burgers betrokken zijn verandert. Niet langer gebeurt dat alleen op uitnodiging van beleidsmakers, maar steeds vaker op eigen initiatief, via directere kanalen en voorbijgaand aan het traditionele middenveld.

Burgerbetrokkenheid is gaan behoren tot de ca tegorie van de sluipende beleidsvraagstukken: hardnekkige problemen die zich voordoen bij de aanpak van wezenlijke maatschappelijke vraagstukken. In eerste instantie worden ze nauwelijks opgemerkt, totdat, schijnbaar plotseling, ideaal en werkelijkheid te ver van
elkaar gescheiden blijken en een beleiddoorbraak noodzakelijk is. Het is tegen deze achtergrond dat we ons de vraag stelden: Hoe kunnen be leidsmakers burgers beter betrekken? Om die vraag te kunnen beantwoorden hebben we uitgebreid gesproken met vele burgers en beleidsmakers en onze bevindingen getoetst aan wetenschappelijk onderzoek uit diverse disciplines.

Zowel het veldwerk als de theorie bevestigt dat burgers inventief zijn, veel kunnen n tot veel bereid zijn. Om de kansen en mogelijkheden die daaruit voortkomen ten volle te benutten moeten beleidsmakers burgers vertrouwen en de ruimte bieden voor betrokkenheid. Het trefwoord van een samenleving die bouwt op burgerbetrokkenheid is daarom vertrouwen: vertrouwen van beleidsmakers in burgers, vertrouwen van
burgers in beleidsmakers en in elkaar. Geen blind vertrouwen, maar vertrouwen met een gezonde dosis wantrouwen. Dat vertrouwen is niet vanzelfsprekend, maar verlangt denken vanuit burgers, voortdurend investeren, en het scheppen van voorwaarden voor verandering: stapje voor stapje, experimenterend, lerend en waar nodig achteraf corrigerend.

Denken vanuit burgers
Een van de meest indringende lessen die uit ons onderzoek naar voren komt, is: denk vanuit burgers. Wie burgers wil betrekken moet denken vanuit hun perspectief. Burgers hebben uiteenlopende behoeften en kwaliteiten. Als daar onvoldoende rekening mee wordt gehouden, zullen (te) velen afhaken. Mensen worden om verschillende redenen uitgedaagd en beschikken over verschillende toerustingen om de uitdagingen op te pakken. Is de toerusting te klein ten opzichte van de uitdaging, dan dreigt overvraging. Is de uitdaging te gering ten opzichte van de toerusting, dan dreigt verveling. In beide gevallen zullen mensen onvoldoende
gemotiveerd zijn om betrokken te worden. Zijn echter uitdaging en toerusting met elkaar in evenwicht, dan zijn velen tot grote inzet bereid.

Burgerbetrokkenheid biedt dan maatschappelijke kansen die op dit moment nog niet ten volle worden benut. Een dergelijke burgerbetrokkenheid bouwt op drie succesfactoren. Een eerste is de aanwezigheid van trekkers – mensen die zich inhoudelijk verbinden met een bepaald onderwerp en anderen in hun enthousiasme meenemen – en verbinders – ‘meertaligen’ die de schakel kunnen vormen tussen groepen burgers en beleidsmakers of groepen burgers onderling. Daarnaast moet er sprake zijn van respect: burgers willen serieus worden genomen. En tenslotte moeten beleidsmakers een evenwicht vinden tussen loslaten en steunen.

Burgers zijn op verschillende manieren betrokken. Woorden als ‘burgerparticipatie’ en ‘inspraak’ doen geen recht aan de verscheidenheid van de initiatieven die worden ontplooid. In dit onderzoek maken we een onderscheid tussen drie velden van burgerbetrokkenheid: beleidsparticipatie, maatschappelijke participatie
en maatschappelijke initiatieven. Bij de eerste twee ligt het voortouw bij beleidsmakers en ‘mogen’ burgers meedoen, bijvoorbeeld door inspraak of vrijwilligerswerk. Op het derde veld ligt het initiatief bij burgers zelf. De huidige overheidsbenadering laat op alle velden kansen liggen en het is van groot belang om de bestaande, smalle kaders te vergroten. Het verbreden van beleidsparticipatie naar andere beleidsfasen betekent dat kansen voor burgerbetrokkenheid in de agendavorming, beleidsuitvoering en crisisbeheersing benut kunnen worden. Het vernieuwen van maatschappelijke participatie vraagt juist om het versterken van de openbare ruimte en de verbinding van beleidsmakers met kwetsbare (groepen) burgers. De grootste uitdaging is gelegen in het verwelkomen van maatschappelijke initiatieven, ook als die niet gladjes ‘passen’ in het beleidsperspectief van beleidsmakers.

Investeren in vertrouwen
Op verschillende, concrete manieren kunnen beleidsmakers burgerbetrokkenheid bevorderen: door het creëren van tegenspel, versterken van de alledaagse invloed, stimuleren van maatschappelijk verkeer, en bouwen van stevige steunpilaren. We bieden niet de oplossing, maar veeleer een bron van inspiratie om
verder te denken en te handelen.

Creëren van tegenspel
Goede beleidsmakers hechten aan tegenspel. Ze geven niet alleen ruimte voor tegengeluid, maar nodigen dat ook actief uit. Goede informatie is daarvoor essentieel. Dat geldt voor alle betrokkenen: burgers moeten beschikken over goede informatie om initiatieven te starten en voor hun belangen op te kunnen komen en beleidsmakers moeten burgers kennen om hen te kunnen betrekken. Op beide terreinen zijn – aanzienlijke – verbeteringen wenselijk. Betrokkenheid begint vaak met het uitwisselen van informatie, uiteenlopend van het ‘gonzen’ aan een schoolhek en de klassieke dorpskrant tot buurtwebsites en sociale media. Beleidsmakers hebben op dit terrein een bijzondere verantwoordelijkheid, omdat ze beschikken over veel data die, mits vrij toegankelijk, waardevol kunnen zijn voor burgers. Wanneer deze data openbaar zijn en volgens een standaard worden gepubliceerd, zullen burgers zelf toepassingen bedenken die nuttig zijn voor andere burgers en die beleidsmakers scherp houden.

Informatiestromen lopen niet uitsluitend via verticale verbanden, maar ook horizontaal, zowel binnen organisaties als in de wisselwerking met de buitenwereld. Indien beleidsmakers erin slagen om proactief de meest relevante netwerken aan te boren, kunnen ze de onderbouwing van hun beleid verbeteren. Goede informatie verschaft hun daarnaast een basis voor geschiloplossing. Beleidsmakers moeten daarom beschikken over goede antennes, waarbij ze gebruik kunnen maken van nieuwe vormen van informatiegaring zoals crowd sourcing, webmonitoring en serious gaming.

Versterken van alledaagse invloed
De alledaagse leefomgeving vormt een belangrijk aangrijpingspunt voor burgerbetrokkenheid; ons rapport biedt daarvan een staalkaart. Met trekkers uit eigen kring op kop en voldoende interne of externe verbinders in hun nabijheid blijken burgers tot veel bereid en in staat. Traditioneel ligt bij alle betrokkenheidsvelden een sterke nadruk op ‘de buurt’, maar een dergelijke eenzijdige focus doet kansen
verloren gaan: de alledaagse leefomgeving wordt immers ook voor een belangrijk deel bepaald door opleiding, werk en vrijetijdsbesteding met inbegrip van internet. Ook op regionaal en nationaal niveau laten burgers hun stem horen om de kwaliteit van hun dagelijks leven te beïnvloeden. Steeds vaker geven velen
bovendien mondiaal via internet inhoud aan een nieuwe vorm van nabuurschap wanneer ze volledig vreemden te hulp schieten bij het vinden van oplossingen voor een breed scala aan alledaagse vraagstukken.

Stimuleren maatschappelijk verkeer
Idealiter beschouwen burgers de maatschappelijke voorzieningen waarvan ze intensief gebruikmaken, als de hunne: de huizen waarin ze wonen, de scholen waar hun kinderen leren, de zorginstellingen waarop ze in geval van nood kunnen terugvallen, de politie die zorg draagt voor de veiligheid in hun buurten en in het verkeer, en het openbaar groen en de sportvoorzieningen waar ze recreëren. Veel van deze voorzieningen werden, om marktwerking te stimuleren, verzelfstandigd of geprivatiseerd. Het bracht rationalisatie in het openbaar bestuur teweeg, in termen van meetbare doelen, management van productieprocessen en prestaties voor klanten. Vanuit het gezichtspunt van burgerbetrokkenheid heeft het denken in markttermen echter bezwaren. Het klantdenken duwde de burger in en passieve rol en nam zo prikkels weg voor actieve betrokkenheid. Door publiek ‘eigendom’ te delen in maatschappen van burgers, al dan niet samen met maatschappelijke instellingen en andere private partijen, kan het gevoel van gemeenschappelijk eigendom
worden gestimuleerd. Waar nodig dient de institutionele toerusting van dergelijke collectieven te worden versterkt.

In veel gevallen komen mensen elkaar tegen als ‘vertrouwde vreemden’: ze hebben niets met elkaar anders dan het delen van een (fysieke of virtuele) ruimte. Beleidsmakers hebben hier een voorwaardenscheppende rol, zoals het stimuleren van een civiele omgang – tegenbinding – in de gedeelde openbare ruimte. In kwetsbare buurten gaat het bijvoorbeeld om ‘het teruggeven van de openbare ruimte’ via inrichting en beheer van veilige – want ‘eigen’ – winkelgebieden, pleinen, parken en gemeenschappelijke tuinen. Op andere plaatsen gaat het om het stimuleren van functionele ontmoetingsruimtes, zoals scholen, sport- en muziekverenigingen en sociale media.

Het is niet alle burgers gegeven om op eigen kracht volwaardig mee te doen aan de maatschappij. Met name geïsoleerde individuen zijn kwetsbaar. Ons veldwerk biedt stimulerende voorbeelden van steun in hun naaste omgeving, maar tegelijk ook deprimerende illustraties waar dat niet het geval is. Succes vereist maatwerk ‘aan de voorkant’: in het herstel van de kleine netwerken binnen hun alledaagse leefwereld. Alleen indien frontlijnwerkers – professionals of zeer goed toegeruste vrijwilligers – de ruimte krijgen om verbindingen te leggen, mag op positief resultaat worden gehoopt.

Indien minder toegeruste groepen burgers niet beschikken over interne verbinders die bruggen kunnen slaan naar overheidsinstanties en maatschappelijke instellingen – onderwijs- en zorginstellingen, wooncorporaties, welzijnswerk –, isoleren ze zich dikwijls in een benadering van wij tegen zij. Weer is het zaak dat frontlijnwerkers, met inbegrip van politie, brandweer en groenbeheer, de ruimte krijgen de besloten gemeenschappen te ‘spikkelen’ in een rol als externe verbinder. Veel burgers blijken dan goed in staat en bereid tot actieve betrokkenheid.

Bouwen van steunpilaren
Maatschappelijke verdichting en versnelling leiden tot een samenleving die ‘vernetwerkt’ en complexer wordt. Dergelijke ingrijpende veranderingen verlangen dat de democratie meebeweegt. Sterke onderstromen kunnen niet worden genegeerd. De roep om meer directe vormen van democratie en de bijbehorende vormen van burgerbetrokkenheid, ter aanvulling van de representatieve democratie, neemt toe. Beleidsmakers hebben breed geëxperimenteerd met verschillende vormen van directere democratie en vooral de ‘doe-democratie’ – ook bekend als de associatieve democratie – biedt mogelijkheden om beter dan nu gebeurt open te staan voor maatschappelijke initiatieven.

De stap naar een nieuwe generatie ‘doe-democratie’ kan worden ondersteund door te investeren in andere vormen van binding tussen en met burgers. Gezien de verschillen tussen burgers en de diversiteit aan vormen van betrokkenheid, is het van belang dat daarbij alle kanalen voor burgerbetrokkenheid worden benut. Maatschappelijke instellingen moeten functioneren als kanalen voor burgerbetrokkenheid
in de alledaagse leefomgeving van burgers. In plaats van de – voorgeschreven – concurrentie moet de nadruk komen te liggen op het waarborgen van solidariteit tussen maatschappelijke instellingen en overheden, bijvoorbeeld door het doorbreken van regionale patstellingen en het waarborgen van een maatschappelijke infrastructuur. De doedemocratie bouwt echter ook op informele verbindingen. Beleidsmakers zullen daarvoor passende en ondubbelzinnige kaders moeten stellen en bewaken. Meer dan tevoren zijn ze daarbij afhankelijk van de medewerking van de ‘informele hoofdrolspelers’, van oudsher de
voorlieden van maatschappelijke instellingen en ngo’s en in toenemende mate ook die van de koplopers in het bedrijfsleven en de bonte verzameling andersbewegingen.

Aanzetten tot verandering
Beleidsmakers kunnen veel doen om betrokkenheid van burgers te stimuleren. Daarbij past echter een waarschuwing: de drempels voor verandering blijken hoog en vereisen gerichte aandacht. Schurende logica’s van burgers en beleidsmakers, belemmerende overheidsstructuren en -systemen, kortetermijnoriëntatie, en onzekere rugdekking zijn uitingen van een overheidscultuur die ontoereikend is voor het omgaan met een complexe netwerksamenleving. In een democratie die zichzelf voortdurend wil
aanpassen aan technologische en maatschappelijke ontwikkelingen, gaat het om het besturen van het onbestuurbare. Dat is alleen mogelijk als beleidsmakers een gepaste ruimte laten voor burgers: weten wanneer ze nodig zijn en wegblijven als dat niet het geval is. De doorbraak naar een ander betrokkenheidsbeleid vergt een aanzienlijke verandering van de overheidscultuur, een verandering op basis van visie, rugdekking en vonk. De visie die de kaders aangeeft waarbinnen frontlijnwerkers inhoud kunnen geven aan hun wisselwerking met burgers en die is vereist voor de herkenning van de kansen die maatschappelijke initiatieven bieden. De rugdekking die waarborgt dat beleidsmakers en frontlijnwerkers hun nek durven uit te steken en kunnen handelen bij onvoorziene ontwikkelingen die zich – onvermijdelijk – in de netwerksamenleving voordoen. En de vonk van inspiratie die overspringt wanneer gedreven beleidsmakers en frontlijnwerkers de nieuwe generatie doedemocratie tot leven brengen.

De veranderingen die ons voor ogen staan zijn alleen mogelijk wanneer alle betrokkenen er serieus werk van maken: gemeenten, maatschappelijke instellingen, en bovenal beleidsmakers op nationaal niveau. Gemeenten zijn alleen in staat de benodigde ruimte aan frontlijnwerkers en burgers te geven als zij zelf ook ruimte van het Rijk krijgen. Leidend is onze oproep: betrokken burgers zijn belangrijk voor een levende democratie. Juist de nationale voorlieden dienen mede inhoud te geven aan de uitvoering door andere partijen op het speelveld van burgerbetrokkenheid.”
==============================================================

Nabeschouwing
De mislukking van mEdemaken is dus grotendeels te verklaren m.b.v. dit WRR-rapport “Vertrouwen in burgers”. Kennelijk heeft niemand van onze politiek/bestuurlijke Edese-elite dit WRR-rapport na verschijning in 2012 gelezen. Had onze voormalige VVD-wethouder dit WRR-rapport wèl gelezen dan was het sterker geweest als hij (onder verwijzing hiernaar) eerder vanuit de oppositie zijn kritiek op het mEdemaken-plan had laten horen. Voorts is ook zijn stelling: “Een project door ambtenaren getrokken” niet sterk. Het is namelijk ambtenaren eigen zich goed te laten informeren door WRRpublicaties. Nee, het overambitieuze  nieuwe college is hiervoor zelf verantwoordelijk! Wat volgens mij wèl hout snijdt is volgens mij de uitspraak: “Er is nul nieuwe politiek”... ook als deze gebaseerd is op basale onderbuikgevoelens.

 xxx XXX xxx

 De paradox van Ede

Semantisch tekst-onderzoek* leverde het bewijs, dat mijn oude stelling (ref. www.65pluspartijEde.nl):
“Ede, een Veluwse plattelandsgemeente met een archaïsche en monistische bestuurscultuur.”
(onder verwijzing naar de uitspraak van de voormalige VVD-wethouder:
“Er is nul nieuwe politiek”) voor 100% klopt.
Archaïsch, omdat dit dominant is binnen de Edese bevolkingskarakteristiek en monistisch,
omdat dit dominant is binnen de Edese politiek/bestuurlijke karakteristiek.
De meeste leden van het vorige college van B&W (incl. onze voormalige VVD-wethouder)
pasten precies binnen de twee hiervoor genoemde karakteristieken.
De meeste leden van het huidige college van B&W daarentegen beslist niet!
Zij zijn daarvoor te modern, te democratisch en te dualistisch.
Dit eigentijdse gedrag zou zeker te waarderen zijn ... mits dat maar geen
pseudo daadkracht oplevert!

* Aan de hand van de vele in de media verschenen interviews met alle vijf huidige wethouders.

=========================================================

Zie voor meer Nieuwsbrieven in de volgende rubriek.

Ede, een Veluwse plattelandsgemeente met grootsteedse ambities. Foto: George de HaanEde, een Veluwse plattelandsgemeente met een archaïsche en monistische bestuurscultuur.