De Vereniging '65plus' werd door George de Haan en Thérèse Kleine vooral opgericht om de 65plusser een positiever imago te bezorgen.

In April 2013 startten mijn vrouw en ik met de Vereniging '65plus'. Deze Vereniging werd vooral opgericht om de 65plusser een positiever imago te bezorgen. En ook om aan te tonen dat 65plussers nog over een enorme power kunnen beschikken.

Binnen onze Nederlandse cultuur bestaat ten aanzien van gepensioneerden nog steeds de opvatting dat zij moeten accepteren niet meer actief deel te nemen aan de moderne samenleving. Onzin natuurlijk!

Volgens Jan Terlouw zouden we met een ouderwets touwtje uit de brievenbus terug kunnen keren naar een betere samenleving, waarin we (zoals vroeger) meer vertrouwen in onze medemens stelden. Vanuit de Vereniging '65plus' denken we daar toch wel anders over, omdat we in deze moderne tijd assertiever in het leven moeten staan. Onze bovenstaande 'Gelukkig Nieuwjaar-Wens' is dus een nostalgische persiflage.

Onderwerp voor debat (6)

 Onderstaande beschrijving is een persoonlijk verhaal van onze voorzitter. Hij ruilt deze graag in tegen een betere.

 De maakbare samenleving voorbij (1)

Kort na de tweede wereld oorlog ontstond binnen bepaalde politieke en wetenschappelijke kringen de veronderstelling dat de wereld voortaan maakbaar zou zijn. Zo werd al in 1945 het CentraalPanBureau (CPB) opgericht om van hieruit (met hulp van haar oprichter en eerste directeur, de econoom/natuurkundige Jan Tinbergen) onze Regering met de juiste economische adviezenJan Tinbergen (1903-1994) was de eerste directeur van het CentraalPlanBureau. aan te sturen. Tot de dag van vandaag beschikt het CPB nog steeds over het imago een onmisbaar en onfeilbaar instituut te zijn om onze samenleving maakbaar te houden.... maar klopt dit wel en is het CPB niet in een fase terecht gekomen dat men daar meer waarde hecht aan het in stand houden van dit instituut, dan dat de samenleving daar nog iets aan heeft?

Jan Tinbergen (1903-1994) was grondlegger van de 'econometrie', een nieuwe wetenschap waarmee de economie in wiskundige modellen kon worden beschreven. In 1929 promoveerde hij op 'Minimumproblemen in de natuurkunde en ekonomie' en ontwikkelde zich daarna als pleitbezorger van een 'centraal geleide planeconomie'; gebaseerd op de gedachte dat de wereld maakbaar zou zijn. Na 1945 stond politiek Nederland in het teken van de wederopbouw en Tinbergen meende dat met succes te kunnen bereiken met zijn model 'Herstel der volkswelvaart'. Van 1945-1955 was Tinbergen directeur van het CPB. In 1969 kreeg Tinbergen voor zijn wetenschappelijke inzichten (ook op het terrein van de 'inkomensverdeling') de Nobelprijs voor de Economie. Eerder had hij als sociaal econoom vanuit het CPB naam gemaakt met de (politieke) toepasbaarheid van econometrische modellen.

Jan Tinbergen's belangrijkste bijdragen aan de economische wetenschap dateren uit de jaren 30 tot en met 50. Daarna werd zijn werk helaas te ideologisch/idealistisch gekleurd door zijn streven naar een betere wereld. Zo bemoeide hij zich als sociaal democraat (na de publicatie in 1972 van het 'Rapport van de Club van Rome') actief met vraagstukken omtrent milieu, kernenergie en welvaartsverdeling. Hij is daarom door zijn collega-econoom Jan Pen een tragische figuur genoemd, omdat de wereld er zo geheel anders uitzag dan zijn idealen voorschreven. Jan Tinbergen is in zijn latere leven overigens wel kenmerkend voor het Nederlandse type econoom, meer betrokken bij politiek-beleidsmatige vraagstukken dan bij theoretische verdieping. Wat Jan Pen betreft, deze trachtte in 1976 zijn nuances in deze te beschrijven in zijn boek "Dat stomme economenvolk met zijn heilige koeien".

In de beginjaren tachtig was Tinbergen in Groningen op bezoek bij de faculteiten 'econometrie', 'economie' en 'bedrijfseconomie'. Van studentenzijde was de belangstelling om hem te Jan Pen, hoogleraar economie/staatshuishoudkunde (1921-2010).ontmoeten zeer groot. De grootste aula op het Paddepoelcomplex van de Universiteit van Groningen puilde uit en het verbaasde mij hoe men Jan Tinbergen daar adoreerde als een popster. In dezelfde periode had Jan Pen (na zijn emeritaat) op speciale uitnodiging een werkkamer gekregen op de faculteit der econometristen. Tegenover mij kon Pen zich niet inhouden om kritiek op die zeer "knappe koppen" van econometristen te leveren. Volgens Pen kwam het toen voor, dat een promovendus zijn proefschrift vulde met een economisch onderwerp dat al in de jaren dertig van de twintigste eeuw in den treure was uitgeplozen.

Onder verwijzing naar het voorgaande is het nogal curieus dat het CPB anno 2016 nog steeds Thomas Cool (1954), klokkenluider avant la lettre bij het CPB.bestaat. Dat dit desondanks toch mogelijk is bewijst de affaire 'Thomas Cool', econometrist en een aantal jaren wetenschappelijk medewerker bij het CPB... in de periode 1982-1989, dezelfde periode dat resp. Peter de Ridder en Gerrit Zalm daar directeur waren. Cool (ook wel publicerend onder de naam Colignatus, zie ook op de sites http://thomascool.eu en http://www.sdnl.nl/cool-5.htm) handelde als een soort klokkenluider. Lees voor meer informatie zijn "Protest tegen de Breidel van de Wetenschap door de Directie van het Centraal Planbureau". De inleiding daarvan staat hieronder.


"In 1989 was ik daar zeven jaar in dienst als econometrist en wetenschappelijk medewerker. In dat jaar was ik betrokken bij de CPB lange termijn studie 'Nederland in drievoud 1990-2015', en ik maakte daarvoor het eerste verkennende 'technisch pad'. Mijn bevindingen, mede n.a.v. de val van de Berlijnse Muur, leidden tot een interne notitie van 23 november 1989, met de conclusie dat de grootste problemen niet speelden op de lange termijn maar juist de middellange termijn. Terwijl mijn chef in oktober een dubbele periodiek had voorgesteld (zoals gebruikelijk voor medewerkers op het zgn. referentiepad) kreeg ik in december slechts één periodiek. Mijn chef vertelde dat die notitie slecht gevallen was bij de directie en dat ik hem beter niet had kunnen schrijven. Hij waarschuwde voor mijn komende promotie naar een hogere salarisschaal. Dit alles was vreemd: want moet een wetenschapper aan dit soort gevolgen denken wanneer hij iets naar voren brengt?"

In 1966 volgde ik een cursus "Hogere Bedrijfsleiding" bij het Instituut voor Sociale Wetenschappen ISW). Een van de docenten had gewerkt bij het CPB en legde ons, aan de hand van een recent jaarverslag van de CPB, uit hoe het CPB elke jaar weer met z'n toepassing van unieke econometrische modellen makro-economische maatregelen in 'Den Haag' beoordeelde en met succes aanstuurde. Op de HTS had ik genoeg hogere wiskunde meegekregen om voor mijzelf te beoordelen dat de formules die het CPB hanteerde (vanwege een schier oneindig aantal variabelen) een keer zouden gaan vastlopen. Bovendien had men bij het CPB (evenals bij het samenstellen van het Rapport van de Club van Rome, bij het MIT in Boston, Amerika) de onhebbelijkheid overgedimensioneerd te extrapoleren. Beide instituten negeerden dat er altijd zaken op basis van "unknown unknowns" plaatsvinden. Dat het CPB daartoe de ogen heeft gesloten duidt op een gesloten denktank-cultuur. Tenslotte geldt nog steeds voor elk model: "Wat je eruit krijgt is afhankelijk van wat je erin stopt."

Zo kon het volgens deskundigen recentelijk gebeuren dat het CPB vanaf 2000 regelmatig in haar voorspellingen de plank heeft misgeslagen: zoals de voor 2001 voorspelde groei van 4%. Deze bleek slechts 2%. Voorts klopte de voorspelling van het CPB voor het jaar 2009 niet. Men voorspel een groei van 1%, terwijl we te maken kregen met een krimp van 4%! De financiële wereldcrisis (met o.m. de val van de Lehman Brothers) had men niet voorzien, de Griekse crisis ook niet en de euro crisis ook niet.

Op 25 januari 2016 verscheen in De Volkskrant een artikel van journalist Peter de Waard, bekend van zijn (bijna) dagelijkse verhelderende columns over actuele economische onderwerpen, met de kopregel "Economie voorspellen is zinloze exercitie". Dit naar aanleiding van een enquete onder 59 Nederlandse topeconomen, waarvan een groot deel een negatief oordeel hebben over het nut van het CPB.

N.B. Ook bij dit onderwerp voor debat geldt de derde (hier eerder genoemde) cliffhanger: "Als het kalf verdronken is dempt men de put." Lees ook het boek "51 mythes over wat goed zou zijn voor de economie" (2015) van de auteur Mirjam de Rijk.

Onderwerp voor debat (7)

   Onderstaande beschrijving is een persoonlijk verhaal van onze voorzitter. Hij ruilt deze graag in tegen een betere.

  De maakbare samenleving voorbij (2)

Polemoloog Professor Bert Röling (1906-1985) was een tijdje net zo beroemd als Jan Tinbergen met zijn 'econometrie'. Trachtte Tinbergen de samenleving vanuit zijn vakgebied maakbaar te maken, Röling probeerde dat eveneens met een nieuwe wetenschap over de beheersing en verklaring van processen van oorlog en vrede in de wereld: vredeswetenschap of polemologie genoemd (polemos=grieks voor 'oorlog'). Voor Röling betekende zijn vredeswetenschap "zoeken naar de oorzaken van de oorlog en de voorwaarden van de vrede." Ook deze nieuwe wetenschap mislukte door gebrek aan voorspelbaar succes. Had econometrie nog het voordeel onderdeel te zijn van een breed scala aan wetenschappen, allemaal vallend onder de paraplu van 'economie', polemologie moest als nieuwe (solitaire) wetenschap proberen zichzelf als volwaardige wetenschap in stand te houden, hetgeen een illusie is gebleken. Processen van vrede en oorlog kun je wel beschrijven, maar zeer moeilijk besturen. Mocht men denken dat conflictbeheersing hierbij een alles overheersende rol zou kunnen spelen, dan is dat ook gestoeld op illusie. Let wel: de meeste sociale (alfa) wetenschappen bevatten veel elementen die illusionair zijn. Zet 100 economen bij elkaar en je krijgt ook 100 verschillende meningen als deze wetenschappers zich moeten uitspreken over een bepaald economisch fenomeen.

Röling promoveerde in 1933 in Utrecht op wetgeving tegen de zogenaamde beroeps- en Prof. Bert Röling (1906-1985), de uitvinder en pleitbezorger van een wetenschap met een specifieke leer over oorlog en vrede.gewoontemisdadigers. Nog in hetzelfde jaar werd hij privaatdocent in Utrecht, waar hij het Criminologisch Instituut opzette en in 1946 werd aangesteld als bijzonder hoogleraar. In datzelfde jaar werd hij als rechter benoemd in het International Military Tribunal for the far East in Tokyo (het Japanse Neurenberg). Vervolgens werd hij (in 1950) aangesteld als hoogleraar Volkenrecht in Groningen. Daar zette hij het Polemologisch Instituut op in 1962. Polemologie verkreeg zijn bestaan door de angst voor een atoomoorlog. Toen deze dreiging grotendeels verdween was het met de polemologie ook een aflopende zaak. In 1976 nam hij met zijn emeritaat afscheid van de universiteit. Zijn werk in Groningen werd voortgezet door Hylke Tromp en Herman de Lange. Helaas voor hen kent de polemologie nergens meer een volledige leerstoel en is polemologie (ook aan buitenlandse universiteiten) een bijvak geworden. Opvallend was, dat Röling (achteraf gesproken) in zijn actieve loopbaan een beetje veel is blijven hangen in literatuur-onderzoek.... en dan ook nog binnen een veel te breed spectrum aan onderwerpen (van armoede tot multinationals, enzovoort), waardoor je als student nauwelijks in staat bleek vat te krijgen op de meest fundamentele aspecten van oorlog en vrede. Eigen onderzoek (dan wel originele Kenneth Boulding (1910-1993).meningen) heeft hij zelden opgeleverd. Zo was het (bijvoorbeeld) de econoom/vredesactivist Kenneth E. Boulding, die in zijn boek "Ecodynamics: A new theory of societal evolution" (1978) schreef over 'radical illusions' en daarvan voor de toekomst opkomende krachten voorzag die met geweld een heilstaat zouden willen vestigen (denk nu aan IS).

Literair gesproken is polemologie een beetje softe materie gebleven, dat het aflegde tegen klassieke publicaties als Oorlog en Vrede van Tolstoi en Vom Kriege van Carl von Clausewitz. Een en ander neemt niet weg dat Röling als hoogleraar Volkenrecht weer wèl veel tot stand heeft gebracht. Zijn stelling dat, "De belangrijkste taak van het volkenrecht is om een rechtsorde te bereiken waarin minder aanleiding is tot diepgaande, heftige conflicten." geldt nog steeds.

Ook Röling heb ik persoonlijk gekend. Aanvankelijk vond hij "polemologie een optimistische tak van wetenschap". Polemologen zijn (volgens hem) "geen doemdenkers die onheil voorspellen; Aula-uitgave, 1981.ze zoeken juist naar de wegen die ons voor het oorlogsonheil kunnen behoeden". In zijn Aula-boek "Vredeswetenschap" (1981) schrijft hij aan het eind: "We weten nog niet genoeg. Onze kennis is nog niet toereikend om uit te stippelen hoe een vreedzame wereld zou kunnen worden opgebouwd."  In het laatste gesprek met hem (in zijn zeer primitief ingerichte en tochtige woonstede 'Coendersborg' in Groningen) toonde hij zich anno 1983 (hoe paradoxaal ook) een onvervalste doemdenker en cultuurpessimist die over de toekomstige verwachtingen voor de wereldvrede uiterst pessimistisch was! Zo maakte hij zich ook grote zorgen over ons westerse behoud van normen en waarden. Dit laatste demonstreerde hij ook door zich sociaal/maatschappelijk volledig in zijn huis terug te trekken en zijn dagen hoofdzakelijk vulde met het musiceren (met echtgenote en enkele oude vrienden) van klassieke kamermuziek. De technologische, economische en maatschappelijke ontwikkelingen in onze moderne tijd ontging hem volledig. Wat hem maakte tot een tragisch figuur die de aansluiting met de werkelijkheid van alle dag in een wereld vol conflict- en oorlogsgebieden volledig was misgelopen. Met het overlijden van Röling in 1985 ging daarom (niet geheel onlogisch) ook de polemologie als zelfstandige wetenschap ten grave!

Onderwerp voor debat (8)

  Onderstaande reactie is een persoonlijk verhaal van onze voorzitter. Hij ruilt deze graag in tegen een betere.

 Innovatie in de Zorgmarkt: de Zorgdriehoek

Op 6 januari 2016 stond in De Volkskrant onderstaande ingezonden brief. Na lezing dacht ik "Wat jammer nu, dat niemand ooit belangstelling heeft getoond voor mijn pleidooi voor een 'Zorgdriehoek' om daarmee de indicatiestelling te vergemakkelijken."

Knipsel uit De Volkskrant van 6 januari 2016.

Op 22 oktober 2013 stuurde ik staatssecretaris Martin van Rijn namelijk een uitgebreid voorstel over Innovatie in de Zorgmarkt, waaronder ook de introductie van de 'Zorgdriehoek': een nieuw middel om vanaf 1 januari 2015 te kunnen zorgen voor een snelle en rechtvaardige indicatiestelling.

Zorg was altijd een verzekerd recht en werd vanaf 1 januari 2015 veelal een voorziening, waarmee de overheid zuinig om moet gaan. De tijd dat de politiek royaal omging met persoons gebonden budgetten is daarom voorbij. Prof. Pieter Muntendam (1901-1986)Indachtig wat ik in het verre verleden (1981) heb geleerd van wijlen professor Pieter Muntendam verdient de eerstelijns zorg (a priorie te beginnen bij de huisarts) binnen een hervormde zorgmarkt de hoogste aandacht. Overigens kreeg ik op dit voorstel van het ministerie VWS nooit een reactie. Soit!

Wat mij betreft (ref. oude wens van Muntendam) moet er ook meer maatwerk bij de indicatie-stellingen van patiënten komen. Zorghulpvragen zijn niet hetzelfde als zorgbehoeften. Daarom is het van groot belang om de huisartsen (tegen vergoeding) te vragen vanaf 1 januari 2015 alle belangrijke indicatie-gevallen t.a.v. aanspraken op Wmo, AWBZ, Jeugdzorg en Restzorg te coördineren vanuit hun ‘regisseurspositie’ binnen een 'Zorgdriehoek'. Dat wil zeggen: Driehoeksoverleg voor kostenbeheersing eerstelijn. Dit naar analogie van het overbekende en succesvolle ‘driehoeksoverleg’ tussen burgemeester, politiechef en officier van justitie (ref. Politiewet 2012). Doel van dit vanouds bekende driehoeks-overleg is “criminaliteits-beheersing”.

Beoogd doel van de Zorgdriehoek (als indicatieteam) is zorguitgavenbeheersing. Qua ‘gezag’ is de Zorgdriehoek (uitsluitend op basis van unanimiteit) bevoegd “discretionaire vrije/begunstigende beschikkingen” te produceren (ref. Algemene wet bestuursrecht, Awb).
Zorgdriehoek-concept, ontworpen door George de Haan. De uitleg hiervan staat in de tekst hiernaast.Huisarts
Dit lid van de Zorgdriehoek vertegenwoordigt zijn/haar patiënt. Bij een stemprocedure krijgt de huisarts exclusief recht van veto om daarmee te benadrukken dat hij de belangrijkste spil is binnen deze driehoek.
Gemeente-beambte
Dit lid vertegenwoordigt (i.o. van de Super-Wethouder en i.s.m. de Gemeentelijke Rekenkamer?) de financiële belangen van de Gemeente.
Zorgbrigadier
Dit lid vertegenwoordigt de zorgbelangen van de samenleving. Hij/zij heeft, naar analogie van de bekende ‘verkeersbrigadier’ (maar nu onder de verantwoordelijkheid van het VWS-Ministerie) een opleiding genoten inzake alle relevante aspecten van de Wmo, de AWBZ, de Jeugdzorg, zorginstellingen en zorgverzekeraars. Bij ‘Zorgbrigadier’ denken wij aan een (financieel)
onafhankelijke 65plusser die om niet zijn/haar diensten in deze aanbiedt.


Bestaat de ideale patiënt?
De ideale patiënt moet grosso modo nog geboren worden. Nu de zorgwereld moet hervormen kan dat in feite niet zönder dat patiënten hun verantwoordelijkheid ook nemen. Dat wil zeggen, dat de Nederlandse burger als zorgjunkie afkickt. Onbeperkt consumeren hoort daar dus niet meer bij. Consuminderen van zorgdiensten zal elke burger moeten leren. Op z’n minst met het tonen van preventief gedrag. Dat wil zeggen: matigen met roken, alcohol, junkfood en bankzitten. In dit verband verwijs ik graag naar professor Jan van Dijk (recente winnaar “StockholmPrijs voor criminologie”). Hij heeft het wetenschappelijke bewijs geleverd, dat het beste middel voor afnemende misdaad preventie is. Naar analogie hiervan lijkt het mij te verantwoorden om te stellen:

De gelegenheid maakt niet alleen de dief, maar ook de patiënt!

 

Onderwerp voor debat (9)

   Onderstaande reactie is een persoonlijk verhaal van onze voorzitter. Hij ruilt deze graag in tegen een betere.

 Armoe onder 50plussers

Op 18 april 2013 schreef ik in mijn oprichtingsmanifest voor de 65pluspartij:

"Financiële armoede komt tot-nu-toe onder 65plussers zeer sporadisch voor (2,0 - 3,0 %).
In de leeftijdsgroep 50plus en 65min daarentegen is dit percentage het tienvoudige! Voorts zitten 65-plussers (ondanks tegenvallende rendementen bij de pensioenfondsen) nog steeds op een gouden pensioenberg, van circa 1.000 miljard euro: uniek in de wereld! (Bronnen: SCP, Sociaal Cultureel Planbureau, CPB, Centraal PlanBureau, en OESO, Organisatie voor  Economische Samenwerking en Ontwikkeling)."                                 
"Armoede' staat hier gelijk aan een vrij besteedbaar gezinsinkomen van minder dan 937 euro/maand. Een echtpaar met AOW daarentegen ontvangt (buiten vakantiegeld van 6% om) netto iets meer dan 1.400 euro/maand. Een 65plusser hoeft dus niet te werken om te overleven! Een 65minner daarentegen wèl! Hiermee is m.i. een belangrijk verschil tussen beide groepen (65minners versus 65plussers) benoemd... met de toevoeging dat het daarom een misvatting van de politici van 50PLUS is, dat zij beide groepen op een eenzelfde wijze in het
parlement zouden kunnen vertegenwoordigen. Uit dit voorgaande de consequentie trekkend is
de 65pluspartij mede opgericht, want 65plussers vormen een aparte entiteit en verdienen daarom ook een aparte politieke partij!"

55-plussers grootste kans op armoede
In de eerste week van 2016 kwam het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) met een bevestiging van hetgeen ik hiervoor (in 2013!) betoogde. Volgens het CBS lopen mensen (op basis van de inkomensgegevens over 2001 t/m 2014) in de leeftijd van 55 tot 65 jaar het grootste risico om langdurig in de armoede terecht te komen. Dat komt omdat een deel van die groep plots weer van een uitkering moet leven na ontslag of bij arbeidsongeschiktheid en daar ook langer van afhankelijk blijft.

Grafiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek.Het CBS stelt:

"Het risico op kortdurende armoede is het grootst onder zelfstandig wonenden tot 30 jaar. Maar in die groep stijgt het inkomen doorgaans zodra men met werken begint.
Op basis van gezinssamenstelling blijkt dat eenoudergezinnen met minderjarige kinderen het vaakst een laag inkomen hebben. Van deze groep had in 2014 34 procent een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Die grens ligt voor bijvoorbeeld een ouder met één kind op 1360 euro.
Onder 65-plussers is het risico op armoede het kleinst. Dit komt omdat een oudere met een AOW-uitkering sowieso boven de armoedegrens zit. Bovendien hebben de meeste ouderen naast de AOW nog inkomsten uit een opgebouwd pensioen of vermogen.
Uit die cijfers blijkt ook dat allochtonen een hoger risico lopen om in armoede terecht te komen. Een langdurig laag inkomen komt onder allochtone huishoudens zes keer vaker voor dan onder autochtonen. Marokkaanse gezinnen leven het vaakst in armoede. Dat komt omdat zij ook relatief vaker dan andere groepen van een uitkering leven."

 Onderwerp voor debat (10)

   Kijk verder in de volgende rubriek "Vereniging 65plus, deel 3".

 

Ede, een Veluwse plattelandsgemeente met grootsteedse ambities. Foto: George de HaanEde, een Veluwse plattelandsgemeente met een archaïsche en monistische bestuurscultuur.